12 december 2008
Overschaduwd door alle rumoer rond de kredietcrisis is een ophanden zijnde omwenteling aangekondigd in het fraudetoezicht op vennootschappen, stichtingen, verenigingen en alle overige rechtspersonen waarmee in Nederland een onderneming kan worden gerund.
Begin december heeft het kabinet ingestemd met het wetsvoorstel Herziening toezicht rechtspersonen, dat minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin eerder al had gepresenteerd als een ‘nieuw wetsmiddel tegen fraudepraktijken in het bedrijfsleven’.
Verandering
De belangrijkste verandering die het wetsvoorstel met zich meebrengt, is dat met ingang van 1 januari 2010 de aanvraag van een verklaring van ‘geen bezwaar’ bij de oprichting van rechtspersonen, wordt vervangen door een vorm van permanente controle van de levensloop van de bewuste onderneming. ‘Tot nu toe worden alleen tijdens de oprichting de antecedenten van de oprichter(s) nagetrokken’, legt fraudespecialist André Mikkers van PricewaterhouseCoopers (PwC) uit. ‘Dat gebeurt niet altijd even zorgvuldig, en de koppeling van de diverse databestanden laat vaak te wensen over. Bovendien is het een ervaringsfeit dat frauduleuze activiteiten meestal pas in een latere levensfase van de bewuste onderneming worden gepleegd.'
‘Per saldo is het dus een goede zaak dat met ingang van volgend jaar een methodiek wordt geïntroduceerd waarmee fraudegevoelige ontwikkelingen continu kunnen worden getraceerd. Maar de invoering van zo’n permanente integriteitstoets vraagt ook om aanpassingen en een goede voorbereiding, zowel van de justitiële autoriteiten als van de ondernemingen. En tot dusver lijkt men zich daar aan ondernemingskant nog niet of onvoldoende bewust van te zijn.’
Inhaalslag
Met de invoering van de permanente integriteitstoets maakt Nederland een noodzakelijke inhaalslag op het gebied van fraudepreventie. Al eerder was immers gebleken dat de bestaande enkelvoudige toetsing niet afdoende werkt. Jaarlijks worden er zo’n 65.000 verklaringen van ‘geen bezwaar’ in Nederland aangevraagd. Gemiddeld leidt dat in 9000 gevallen tot een nader onderzoek, maar slechts 300 aanvragen worden feitelijk geweigerd.
Het is duidelijk dat de preventieve toets alleen niet volstaat om misbruik van zulke rechtspersonen tegen te gaan. Daar komt bij dat Nederland op dit punt ook nog eens uit de Europese pas loopt. Mikkers: ‘We zijn één van de laatste EU-lidstaten die overstappen op een doorlopende screening. Ook in het kader van een eenduidig optreden binnen de EU tegen de meest voorkomende fraudevormen, zoals carrouselfraudes met btw of faillissementsfraudes, is het dus een goede zaak dat wij in Nederland nu ook de frauderisico’s permanent gaan volgen.’
Ervaring
Die taak is overigens in handen gelegd van de Dienst Justis, een onderdeel van het ministerie van Justitie dat al de nodige ervaring opdeed met onderzoeken naar criminele antecedenten in het kader van de Wet Bibob. In de loop van dit jaar wordt de dienst speciaal voor dit doel uitgebreid naar 370 opsporingsambtenaren, die onder meer de beschikking krijgen over een geavanceerd, en intussen al met succes getest automatiseringssysteem. Dit systeem zal alarmeren als zich bij een rechtspersoon veranderingen voordoen die van invloed kunnen zijn op het risicoprofiel. Daarbij moet worden gedacht aan een tussentijdse wijziging van de doelstellingen van de onderneming, of het met terugwerkende kracht overdragen van aandelen. Als de geconstateerde wijzigingen verdacht worden geacht, wordt deze signalering doorgespeeld naar relevante toezichthouders (AFM, DNB etc.), het openbaar ministerie en de belastingdienst.
Helder integriteitsbeleid
Voor ondernemingen heeft deze ontwikkeling als direct gevolg dat het de noodzaak om een deugdelijk anti-fraudebeleid te voeren nog eens vergroot. ‘Dat staat of valt met een goed en helder integriteitsbeleid. Omschrijf daarin duidelijk wat je als gewenst en ongewenst gedrag beschouwt van stakeholders, en dat het bij de primaire taken van medewerkers behoort om mogelijke ontsporingen op alle niveaus te melden en waar mogelijk te voorkomen. Ook moet voor iedereen duidelijk zijn welke sancties er op een overtreding staan.’
Daarnaast is het onberispelijke voorbeeldgedrag van de top en het hogere management van groot belang, net als het luid en transparant communiceren over al deze zaken. ‘Het is een idee-fixe om te veronderstellen dat je het frauderisico helemaal kunt buiten sluiten. Maar het is wel een feit dat deze nieuwe aanpak een stap in de goede richting is. Doordat de controle wordt aangescherpt, én doordat het ondernemingen dwingt om meer aandacht aan een wel deugdelijke preventie te besteden.’