5 oktober 2009
Onlangs heeft Rechtbank Breda beslist dat ook aan een buitenlands opdrachtnemer een verklaring arbeidsrelatie (VAR) afgegeven kan worden.
De VAR is volgens de rechtbank primair bedoeld om opdrachtgevers duidelijkheid te geven of zij over de vergoeding aan de opdrachtnemer loonheffingen moet inhouden en afdragen. Hierbij is door de rechtbank aangetekend dat door middel van de VAR geen uitspraak wordt gedaan over de toewijzing van het heffingsrecht over de inkomsten van de opdrachtnemer.
Zelfstandige
Wanneer een persoon die zich presenteert als zelfstandige een opdracht aanneemt, is het in de praktijk soms lastig te bepalen of er sprake is van een dienstbetrekking. Om zekerheid te geven over de kwalificatie van de arbeidsrelatie, geeft de belastingdienst op verzoek een ‘verklaring arbeidsrelatie’ (hierna: VAR) af. Wanneer een opdrachtnemer de juiste VAR kan overleggen, heeft de opdrachtgever – onder voorwaarden – zekerheid of over de vergoeding aan de opdrachtnemer loonheffingen moet worden ingehouden en afgedragen.
Geen winst
In de zaak waarover Rechtbank Breda zich heeft uitgesproken betrof het een opdrachtnemer die in België woonachtig was. De opdrachtnemer werkte sinds 1 april 2008 in Nederland als zelfstandig ziekenverzorgster en had uitsluitend Nederlandse klanten. De opdrachtnemer huurde in Nederland een ruimte waar ze een deel van haar administratieve werkzaamheden verrichtte voor haar activiteiten in Nederland. Voor het jaar 2008 beschikte de opdrachtnemer over een VAR-winst uit onderneming. Bij de aanvraag voor 2009 had zij aangegeven dat er ten opzichte van 2008 geen wijzigingen hebben plaatsgevonden. De inspecteur was bij deze aanvraag echter van mening dat er geen VAR afgegeven kon worden omdat de ruimte die zij in Nederland huurde niet als een vaste inrichting kwalificeerde en er zodoende geen winst in Nederland te belasten viel.
Redelijke grond
De rechtbank bevestigde de stelling van de inspecteur dat een belastingplichtige die geen winst uit onderneming in Nederland geniet, volgens de letter van de wet geen recht heeft op een VAR. De rechtbank was echter van mening dat er een redelijke grond was om van de letterlijke tekst van de wet af te wijken. Deze grond werd gevonden in de wetsgeschiedenis, waarin het doel en de strekking van de bepaling worden toegelicht. Hierin is vermeld dat de VAR primair is bedoeld om opdrachtgevers duidelijkheid te geven of zij over de vergoeding loonheffingen moet inhouden en afdragen. Inhouding van loonheffingen mag onder andere achterwege blijven in het geval de opdrachtnemer een VAR winst uit onderneming kan overleggen. Omdat de wetgever beoogde de opdrachtgever zekerheid vooraf over de arbeidsrelatie te geven, oordeelde de rechtbank dat de vraag waar de opdrachtnemer gevestigd is niet van belang is voor afgifte van de VAR.
De rechtbank merkte ten slotte nog op dat de VAR geen uitspraak doet over de vraag welk land het heffingsrecht over de vergoeding heeft.
Bron: Rechtbank Breda, 22-7-2009, nr. 09-673 (gepubliceerd 7-8-2009).