24 juni 2009
In vervolg op de brief van de staatssecretaris van Financiën van 23 december 2008 is onlangs een tussentijdse rapportage in het kader van het project ‘vereenvoudiging fiscale arbeidsrelaties’ verschenen. Nog voor de zomer zal een definitieve uitwerking van dit project verschijnen.
In de tussentijdse rapportage zijn na analyse van de huidige voorkomende knelpunten bij de kwalificatie van een arbeidsrelatie, enkele opties ter vereenvoudiging van de huidige regelgeving voorgesteld. Hierna worden deze opties kort toegelicht.
Meest gunstige optie
Iedere werkende bepaalt zelf of hij wordt behandeld als werknemer of zelfstandige. Hiermee zal onduidelijkheid over de arbeidsrelatie tot het verleden behoren. Omdat het zeer waarschijnlijk is dat de werkende te allen tijde de meest gunstige optie voor hemzelf kiest, wat tot budgettaire derving voor de overheid kan leiden, is besloten deze optie niet verder te onderzoeken. Wel wordt verder gekeken naar een variant waarbij het optionele regime wordt beperkt tot gevallen waarin serieuze twijfel over de arbeidsrelatie bestaat.
Een vereenvoudiging is mogelijk door de huidige drie soorten fiscale arbeidsrelaties (werknemer, resultaatgenieter, ondernemer) te vervangen door twee. De voorkeur gaat daarbij uit naar een verdeling in de twee soorten fiscale arbeidsrelaties ‘werknemer’ en ‘zelfstandige arbeid’. De definities van deze twee arbeidsrelaties moeten bij voorkeur objectief zijn (zie volgend onderdeel). Deze optie wordt verder onderzocht, waarbij rekening wordt gehouden met de gevolgen voor de ondernemersfaciliteiten.
Objectieve criteria
Momenteel zijn de criteria voor zelfstandigheid vaag, zoals de toetsing van zelfstandigheid op basis van feiten en omstandigheden. Het is de bedoeling dat criteria worden ontwikkeld 'waardoor voor de fiscaliteit en voor de inhoudings- en verzekeringsplicht ondubbelzinnig duidelijk wordt in welke gevallen er van welke arbeidsrelatie sprake is'. Zo zullen heldere definities voor werknemerschap en voor zelfstandigheid moeten worden ontwikkeld. De mogelijkheden voor objectivering van de criteria worden verder onderzocht.
Geringe werkzaamheden
Bij werkzaamheden (verricht in privaatrechtelijke of fictieve dienstbetrekking) van geringe omvang worden nu nog verplicht loonheffingen ingehouden en afgedragen. De betrokken werknemers maken echter weinig gebruik van de uitkeringen in het kader van de werknemersverzekeringen en kunnen de ingehouden loonheffing aan het einde van het jaar veelal (deels) terugvragen. Voor de werkgevers zorgen deze ‘kleine baantjes’ voor administratieve en financiële lasten. Gezocht is naar een oplossing waarbij de kleine baantjes buiten de loonheffingen kunnen worden gehouden. Voorbeelden die daarbij gegeven worden zijn een leeftijdsgrens en een bepaalde loongrens. Daarnaast kan ook worden gedacht aan een vrijstelling voor arbeid met een (maximale) duur van bijvoorbeeld zes tot acht weken. Het kabinet streeft ernaar om op zo kort mogelijke termijn een wetsvoorstel in te dienen met een concrete invulling van de uitsluiting van werkzaamheden van geringe omvang.
Fictieve dienstbetrekkingen
In de tussentijdse rapportage wordt aangekondigd dat verder onderzoek wordt gedaan naar verschillende varianten voor vermindering en uniformering van de fictieve dienstbetrekkingen. Dit zijn arbeidsrelaties die niet voldoen aan alle criteria van de privaatrechtelijke dienstbetrekking, maar wel zodanige overeenkomsten hebben dat zij gelijk worden behandeld. De varianten variëren van de afschaffing van alle overbodige fictieve dienstbetrekkingen tot vervanging van de huidige door één algemene uitbreidingsbepaling.
Internetmodule
In het Verenigd Koninkrijk wordt gebruikgemaakt van een internetmodule om de arbeidsrelatie te bepalen. Deze module wordt door zowel opdrachtgevers en werkenden als de belastingdienst gebruikt. Onderzocht wordt of een dergelijk sy steem ook in Nederland zou kunnen worden ingevoerd.
Minder soorten
In de huidige situatie bestaan er vier soorten verklaringen arbeidsrelaties (VAR), waarbij de belastingdienst een arbeidsrelatie op aanvraag kwalificeert. In de praktijk leidt dit nogal eens tot verwarring, omdat de VAR’s verschillende rechtskracht hebben. In het rapport wordt aangegeven dat verder wordt onderzocht of de VAR-systematiek kan worden vereenvoudigd door het aantal VAR’s te beperken tot één: de ‘VAR geen inhouding’.
Zoals hiervoor opgemerkt zullen de uitgewerkte voorstellen op korte termijn worden gepubliceerd. Wij zullen u hiervan langs deze weg uiteraard op de hoogte houden.
Bron: Ministerie van Financiën, 29-4-2009, AFP/2009/255U.