16 maart 2009
Als gevolg van de huidige kredietcrisis is het pensioenkapitaal voor veel deelnemers de laatste tijd ernstig gedaald. Met de mogelijkheid tot een tijdelijke pensioenknip wil minister Donner het risico op een lagere pensioenuitkering beperken.
Uit de definitie van ouderdomspensioen, zoals die is omschreven in de tekst en de toelichting van de Pensioenwet, blijkt dat uiterlijk op de pensioendatum het pensioenkapitaal moet worden omgezet in een vaste levenslange pensioenuitkering. Als gevolg van de huidige kredietcrisis vallen de pensioenkapitalen echter lager uit dan verwacht. Dit betekent dat de vaste levenslange pensioenuitkeringen ook van een lager niveau zullen zijn. Dit doet zich vooral voor bij deelnemers aan een beschikbare premieregeling die nu of in de nabije toekomst met pensioen gaan.
Risico
In een brief heeft minister Donner op 5 februari jongstleden antwoord gegeven op Kamervragen met betrekking tot het omzetten van pensioenkapitaal in een pensioenuitkering. In deze brief stelt de minister dat het inherent is aan premieovereenkomsten dat het beleggingsrisico geheel voor risico van de deelnemer komt. Hierbij geeft de minister aan dat dit risico, ook wel conversierisico genoemd, op twee manieren kan worden beperkt.
Als eerste kan er worden gekozen voor een premieovereenkomst waarbij in de opbouwfase al aanspraken op een kapitaal, dan wel een uitkering worden aangekocht, in plaats van te kiezen voor een zuivere premieovereenkomst. Een andere manier om het conversierisico te beperken, is door het beleggingsrisico te laten afnemen naarmate de pensioendatum dichterbij komt. Met andere woorden: beleggen volgens het ‘life cycle’-principe. Deze oplossing is echter pas recent in de regelgeving opgenomen en heeft daarom nauwelijks effect voor de deelnemers die op dit moment of in de nabije toekomst met pensioen gaan.
Uitstellen
De minister heeft daarom besloten een mogelijkheid tot een tijdelijke beleggingsknip te creëren. Deelnemers die uiterlijk vóór 1 januari 2014 met pensioen gaan, hebben de mogelijkheid om op de pensioendatum de inkoop van een deel van hun pensioen uit te stellen met maximaal vijf jaar. Na afloop van deze periode moet met het resterende pensioenkapitaal een vaste levenslange pensioenuitkering worden aangekocht. De hoop is daarbij gevestigd op een verbeterd economisch klimaat binnen deze periode. Er worden echter geen garanties gegeven op een hogere pensioenuitkering. De hoogte van de vaste levenslange uitkering is afhankelijk van de ontwikkeling van de rentestand en de individuele beleggingsportefeuille. Hierbij moet worden vermeld dat er binnen de knipperiode geen wijzigingen aan de beleggingsportefeuille mogen worden aangebracht. De verwachting is dat de behoefte aan de beleggingsknip na 2014 afneemt als gevolg van de werking van het ‘life cycle’-beleggen.
Hoewel in eerste instantie de beleggingsknip voornamelijk was bedoeld voor deelnemers aan een beschikbare premieregeling, wordt door de minister voorgesteld om deelnemers aan kapitaalovereenkomsten ook te laten profiteren van een pensioenknip. Deelnemers die gebruik maken van de beleggingsknip, hebben namelijk niet alleen het voordeel van mogelijk stijgende beleggingen, maar ook het voordeel van een mogelijk stijgende rentestand. Doordat de rentestand ook van belang is voor het in te kopen pensioen van deelnemers aan kapitaalovereenkomsten, acht de minister het wenselijk dat deze deelnemers ook een knip in hun pensioenen kunnen aanbrengen.
Later tijdstip
Concreet betekent dit dat zowel deelnemers aan een premieovereenkomst als deelnemers aan een kapitaalovereenkomst de mogelijkheid hebben om met een deel van het door hen opgebouwde pensioenkapitaal op een later tijdstip pensioenuitkering in kopen. Hiervoor is vereist dat de Pensioenwet wordt gewijzigd om de tijdelijke beleggingsknip mogelijk te maken. De minister heeft een wijzigingsvoorstel ingediend om artikel 2 van de Pensioenwet uit te bereiden met een nieuw lid 9, waarin de pensioenknip mogelijk wordt gemaakt. Voor de uitwerking wordt verwezen naar een (nog te ontwerpen) ministeriële regeling. In het nieuwe lid 10 van artikel 2 van de Pensioenwet wordt het overgangsrecht met betrekking tot de pensioenknip beschreven. Bepaald is dat de pensioenknip uitsluitend van toepassing is voor deelnemers met een pensioendatum na 31 december 2008, waarbij het beschikbare kapitaal nog niet is aangewend voor een levenslange uitkering.
Handreiking
Voor de fiscale behandeling van de tijdelijke beleggingsknip kan worden aangehaakt bij de handreiking van de kennisgroep pensioenen loonbelasting van de Belastingdienst van 6 juni 2007. Met betrekking tot de pensioenknip bedoeld voor deelnemers van kapitaalovereenkomsten betekent dit dat de voormalige pensioenknip in verband met de lage rentestand, zoals deze gold onder de Pensioen- en spaarfondsenwet, tijdelijk wordt gehandhaafd. Door het ministerie van Financiën wordt de handreiking aangepast aan de situatie met betrekking tot de tijdelijke beleggingsknip.
Dit betekent echter niet dat de tijdelijke beleggingsknip al helemaal is uitgekristalliseerd. Hoe groot het deel van het pensioenkapitaal is waarvan de inkoop kan worden uitgesteld, maken de brief en het wetsvoorstel van minister Donner niet duidelijk. Uit de bestaande fiscale handreiking zou kunnen worden afgeleid dat de beleggingsknip in eerste instantie alleen van toepassing is op de duur van de vaste levenslange pensioenuitkering en niet zozeer op de hoogte van deze uitkering. Hoe dat er nu gaat uitzien, hangt af van de uitwerking van de voorstellen in de hiervoor genoemde ministeriële regeling. In elk geval moeten ook pensioenregelingen worden aangepast alvorens gebruik kan worden gemaakt van deze mogelijkheid. Pensioenfondsen, verzekeraars en werkgevers kunnen zich nu al voorbereiden op deze wijzigingen en een begin maken met de aanpassingen.
Zodra de aangepaste (wet)teksten definitief zijn en de lagere regelgeving beschikbaar is, volgt nadere informatie. Voor vragen kunt u contact opnemen met Renate Huiting of Wim Koeleman.