Windenergie op zee binnen vijftien jaar rendabel

Algemeen

13 mei 2011

Windenergie op zee kan binnen vijftien jaar rendabel en subsidievrij zijn. 'Maar wil Nederland hierin een rol spelen, dan hebben we nog een lange weg te gaan.'

Die belangrijke kanttekening plaatst Paul Nillesen, partner bij PwC, bij de uitkomsten van het onderzoek Offshore Proof. In dit PwC-onderzoek komen internationale overheden, turbineproducenten, bouwbedrijven en energiebedrijven aan het woord. 'Windenergie op zee kan alleen rendabel en subsidievrij worden als de overheid en de markt stappen zetten op technisch, logistiek, financieel en beleidsvlak. Wil Nederland hierin een rol spelen, dan hebben we - zeker in vergelijking met ons omringende landen – nog een lange weg te gaan', aldus Nillesen, die het onderzoek leidde.

Toename capaciteit

De afgelopen jaren nam de Europese capaciteit van windenergie op zee sterk toe: van 1500MW in 2008 tot 3000MW in 2010. Nederland neemt hierin een kleine tien procent voor haar rekening. Op termijn moet windenergie op zee voor ongeveer twaalf procent gaan bijdragen aan de totale elektriciteitsproductie in de EU. Voordat het zover is, moeten een aantal uitdagingen op technisch, logistiek, financieel en beleidsvlak worden overwonnen. Uit het onderzoek komen vier aandachtsgebieden naar voren:

- Technologische vooruitgang en standaardisatie is essentieel om de kosten van windenergie op zee omlaag te brengen. Op dit moment lopen deze te veel uit de pas met windenergie op land.  Door de hoge kosten voor grondstoffen als staal is de verwachting dat de kosten slechts langzaam zullen dalen.
- De logistieke uitdaging zit in de beperkte beschikbare capaciteit aan windturbines en aan offshoremateriaal om de geplande windparken te realiseren. Daarnaast is het van groot belang om de aansluiting van windparken op het elektriciteitsnetwerk op land te faciliteren.
- De financiële uitdagingen zijn nauw verbonden met de technologische uitdagingen. De grootste risico’s bevinden zich namelijk in de bouw- en constructiefase, waar speciale boten voor nodig zijn, havenfaciliteiten en funderingswerkzaamheden. Deze risico’s moeten beter verdeeld worden tussen markt en overheid. Daarnaast is het belangrijk om de risicoperceptie te verlagen en de investeringsbereidheid bij investeerders te vergoten. Het onderzoek laat namelijk zien dat de betrouwbaarheid en rendementen van windenergie op zee vergelijkbaar zijn met die op land.
- Tot slot moeten op beleidsvlak stappen worden gemaakt. Denk daarbij aan het opheffen van de onduidelijkheid rondom subsidies voor duurzame energie en vereenvoudiging van vergunningsprocedures. Van de ondervraagde investeerders geeft 55 procent aan dat om de investeringsbereidheid te vergroten, meer duidelijkheid rondom subsidies nodig is.

Buurlanden kiezen beter

De afgelopen jaren is duidelijk geworden dat ons omringende landen steviger inzetten op windenergie op zee. Nillesen wijst daarbij op de keuzes die gemaakt worden om het realiseren van windparken op zee makkelijker en goedkoper te maken. Variërend van het meedelen in de risico’s in de bouw- en constructiefase (VK) tot het faciliteren van de aansluiting op de infrastructuur (Duitsland en Denemarken). Aangezien de energiemarkt Europees is, zullen Nederlandse spelers die willen investeren in windenergie op zee, zich oriënteren op die landen waar de randvoorwaarden het aantrekkelijkst zijn. 'Als een partij zijn focus heeft gelegd op een buurland en daar heeft geïnvesteerd in kennis en capaciteit, wordt het moeilijk om die partij in een later stadium weer naar Nederland te lokken', aldus Nillesen.

Concurrentie

Met de huidige aanpassing in het subsidieregime in Nederland wordt ingezet op zoveel mogelijk duurzame energie tegen de laagste kosten. 'De Nederlandse overheid is duidelijk: de goedkoopste technologie wint. De uitdaging voor de offshore-windsector is te laten zien dat ze op termijn kunnen concurreren met andere duurzame energiebronnen. Ons onderzoek toont aan dat de overheid op drie fronten een bijdrage kan leveren aan de kostendaling', vertelt Nillesen.

Die drie fronten zijn:

1) De windgebieden op zee 'bouwrijp' aanbieden door zoveel mogelijk van het voorwerk, zoals milieuvergunningen, door de overheid reeds zelf te laten doen. Dit scheelt in kosten en onzekerheid voor alle partijen.
2) Faciliteren van de aansluiting op het land door middel van ‘stopcontacten’ aan de kust. Met twee punten zou nu al gestart moeten worden gelet op de lange vergunningprocedures voor hoogspanningsverbindingen in Nederland.
3) Stel kennis en vermogen beschikbaar vanuit de overheid. Door bijvoorbeeld actief financieel te participeren in de bouw- en constructiefase - via leningen of vermogen - kunnen risico’s worden gedeeld en kan de investeringsbereidheid in de markt worden verhoogd.

'Onze studie laat zien dat windmolens op zee grote potentie hebben. Nederland kan hier, met haar havenfaciliteiten en offshorebedrijven, zeker van profiteren. Maar dan moeten de sector en de overheid samen aan de slag', besluit Nillesen.