29 juni 2012
Staatssecretaris Weekers van Financiën is van mening de Nederlandse ‘substance-eisen’ met betrekking tot de belastingheffing van het internationale bedrijfsleven volstaan. Dit volgt uit een onderzoek dat hij heeft laten verrichten naar aanleiding van een aangenomen motie bij het Belastingplan 2012.
In de motie, ingediend door PvdA en Groenlinks, stelden de opstellers dat de huidige substance-eisen niet volstaan en ongewenst gebruik van belastingverdragen mogelijk maken. Volgens de twee partijen gaat dit ten koste van de inkomsten van ontwikkelingslanden. De Tweede Kamer verzocht de staatssecretaris de substance-eisen tegen het licht te houden en de Kamer daarover te informeren. Aan dat verzoek heeft hij nu uitvoering gegeven.
Begrip substance
De staatssecretaris stelt voorop dat ‘substance’ geen zelfstandige wettelijke betekenis heeft en dat het daarom naar zijn mening als zodanig geen geschikt zelfstandig criterium is om verdragsmisbruik te bestrijden. De staatssecretaris geeft aan dat een zelfstandige (wettelijke) substance-eis zich slecht zal verhouden met ons nationale recht, waarin de erkenning van het bestaan van een rechtspersoon ook niet afhankelijk is van substance-eisen. In het spraakgebruik wordt met substance doorgaans bedoeld dat een vennootschap voor haar activiteiten over passende materiële activa en personele bezetting beschikt.
Belang van substance bij belastingverdragen
In de praktijk en met name bij de toepassing van (een aantal onderdelen van ) belastingverdragen speelt het begrip substance indirect toch een rol. Dit is het geval bij:
Arm's length
Substance speelt ook een rol bij het bepalen van (zakelijke) verrekenprijzen. Het arm’s length-beginsel is hierbij het uitgangspunt. Dit beginsel houdt in dat verbonden vennootschappen met elkaar worden geacht te handelen tegen marktprijzen. Het beginsel leidt ertoe dat aan een vennootschap slechts die winst kan worden toegerekend die overeenkomt met de door deze vennootschap uitgeoefende functies, gelopen risico’s en gebruikte activa. Volgens de staatssecretaris kunnen substance-eisen hierbij voldoende betrokken worden om verdragsmisbruik tegen te gaan.
Ontwikkelingslanden
De staatssecretaris geeft aan dat Nederland niet met veel ontwikkelingslanden een belastingverdrag heeft afgesloten. Als Nederland toch een verdrag met een ontwikkelingsland heeft afgesloten, is Nederland doorgaans eerder bereid om in een dergelijk verdrag in te stemmen met bronheffingen voor het ontwikkelingsland. Verder kent Nederland een regeling die verrekening van bronbelasting op betalingen afkomstig uit ontwikkelingslanden mogelijk maakt, ook wanneer er geen verdrag is afgesloten.
Ten slotte stelt de staatssecretaris dat de belastingverdragen het recht van ontwikkelingslanden om de eigen winstbelasting te heffen niet beperkt. Naar zijn mening vormt het voorgaande geen reden tot zorg dat de belastinggrondslag van ontwikkelingslanden wordt uitgehold door gebruik van het Nederlandse verdragennetwerk.
Nederland in de pas
De resultaten van het onderzoek dat de staatssecretaris heeft laten uitvoeren, heeft hem gesterkt in zijn oordeel dat Nederland internationaal niet uit de pas loopt met de wijze waarop de substance van bedrijven bij de toepassing van verdragen wordt betrokken.
Bron: Ministerie van Financiën, 25-6-2012, IFZ/2012/85 U. Voor meer dagelijks fiscaal nieuws, ga naar www.belastingnieuws.nl